|
Herdenkingsbijeenkomst 7 mei 2007
Op 7 mei 2007 vond een bijeenkomst plaats rond de op 26 juni vorig
jaar ingewijde herdenkingsplaquette, ter herinnering aan de in de
oorlog 1940-'45 omgekomen joodse leerlingen en leraren. Het initiatief
daartoe was genomen door enkele oud-leerlingen die graag hadden
deelgenomen aan de bijeenkomst van bijna een jaar geleden, die in
tamelijk beperkte kring moest worden gehouden. Ongeveer veertig
oud-leerlingen waren bijeen, van wie de meesten in de oorlogsjaren
op school hadden gezeten.
De bijeenkomst hield het midden tussen een reünie en een herdenking.
De eigenlijke herdenking had vorig jaar plaatsgevonden, de prachtige,
beknopte woorden die Rob Goudsmit toen had gesproken behoefden niet
herhaald te worden. Misschien is dat de reden waarom, na een inleidend
woord van de rector, de sprekers nauwelijks zijn teruggekeerd naar
het thema dat de aanleiding vormde voor de bijeenkomst: de moord
op medescholieren. Hedda van Gennep- van der Linden vertelde over
de sfeer van benauwenis waarin kinderen leefden, in haar geval mede
omdat haar moeder joods was en het ouderlijk huis een joodse onderduiker
herbergde. Bronia Davidson-Rosenblatt verhaalde, citerend uit door
haar geschreven boeken, over haar ervaringen als klein kind, vluchtend
uit Polen naar Siberië en wat zij daar op diverse scholen had
ondervonden, voor ze na de oorlog met haar familie naar Nederland
was gekomen.
Hedda van Gennep gaf enig profiel aan haar verhaal door een leerlinge
van de derde klas, Anne Dido Doorman, toevallig haar buurmeisje,
te laten vertellen wat deze zich herinnerde van de verhalen die
haar zestig jaar oudere buurvrouw Hedda haar over de oorlog had
verteld. Zelf probeerde Hedda enige nuancering in het "goed-fout"
beeld aan te brengen door te memoreren dat een schoolgenote uit
een hogere klas, wier vader en broer ronduit "fout" waren
geweest, in het laatste oorlogsjaar Hedda's familie nooit had verraden,
hoewel ze wist dat een onderduiker in het huis werd verborgen. Een
oordeel, dat mijns inziens op zichzelf om nuancering vraagt, maar
dan bij een andere gelegenheid.
Het verhaal van Bronia Davidson, waarin zij herinneringen ophaalde
aan de discriminatie die joodse kinderen in de Sowjet Unie ten deel
viel, leidde tot een opmerking uit de zaal , dat discriminatie op
Barlaeus nooit was voorgekomen. De discriminatie tegen Joden was
in Amsterdam inderdaad minder pregnant dan in andere delen van Nederland.
Maar zelfs op Barlaeus liepen helaas nog wel enkele leraren en leerlingen
rond, op wier opvattingen wat viel aan te merken. Dat zou bij een
gelegenheid als deze ook best aandacht hebben mogen krijgen.
Het bestuur van de Stichting Vrienden van het Barlaeus verdient
dank voor het doorzetten van dit initiatief. De deelnemers kregen
aan het eind Peter Hermans Niet voor de school, niet voor het leven
mee naar huis. Overigens is het opmerkelijk dat Hermans hierin memoreert
dat joodse leerlingen en leraren aanvankelijk niet op het monument
in de hal zijn genoemd. Het was goed dat de nieuwe rector, Marten
Elkerbout, in een korte speech van medeleven getuigde.
Ieder zal het zijne hebben gehaald uit deze herdenkingsbijeenkomst
juncto reünie. Wel zou ik er voor willen pleiten dat, mocht
nog eens een soortgelijke bijeenkomst worden gehouden, wordt nagedacht
over de vraag hoe aan de nagedachtenis van vermoorde medescholieren
het best respect kan worden bewezen. Zelf dacht ik deze middag aan
het verhaal van een klasgenoot, Henry Schogt, die in zijn boek The
Curtain beschrijft hoe hij een joodse klasgenoot tot het laatste
heeft opgezocht en vergeefs naar wegen heeft gezocht de reddeloze
situatie voor de jongen te verlichten.
Rob van Schaik (Barlaeus '[39] 41-'45)
|