[FONT:Arial,9,1] = [FONT:Arial,9,1] schilderen = malen knutselen = basteln de foto, het schilderij = das Bild de foto's, schilderijen = die Bilder de computerspelletjes = die Computerspiele het gezelschapsspel = das Gesellschaftsspiel triviant = Triviant dammen = Dame spielen schaken = Schach spielen kegelen = kegeln de hobby = das Hobby die hobbies = die Hobbys tekenen = zeichnen lezen = lesen de kleur = die Farbe de kleuren = die Farben de party = die Party kaarten = Karten spielen pesten = Mau-Mau spielen televisie kijken = Fernsehen gucken de vrije tijd = die Freizeit de vakantie = die Ferien vieren = feiern het nationale kampioenschap = die Nationalmeisterschaft het Europees kampioenschap = die Europameisterschaft het wereldkampioenschap = die Weltmeisterschaft het nationale team = die Nationalriege de verrassing = die Überraschung de muziek = die Musik muziek luisteren = Musik hören muziek maken = Musik machen het instrument = das Instrument de instrumenten = die Instrumente ein instrument spelen = ein Instrument spielen de saxofoon = das Saxophon de klarinet = die Klarinette de viool = die Geige de piano = das Klavier de trompet = die Trompete de gitaar = die Gitarre het drumstel = das Schlagzeug de fluit = die Flöte het keyboard = das Keyboard wielrennen = Rennrad fahren schaatsen = Eis laufen waterpoloën = Wasserball spielen surfen = surfen basketballen = Basketball spielen volleyballen = Volleyball spielen tennissen = Tennis spielen voetballen = Fußball spielen het shirt = das Trikot de shirts = die Trikots het trainingspak = der Trainingsanzug de trainingspakken = die Trainingsanzüge de voetbal = der Fußball de surfplank = das Surfbrett de surfplanken = die Surfbretter de schaatsen = die Schlittschuhe het turnpakje = der Turnanzug het badpak = der Badeanzug de badpakken = die Badeanzüge moeilijk = schwer gemakkelijk = leicht winnen = gewinnen verliezen = verlieren de crossmotor = das Crossmotorrad de crossmotoren = die Crossmotorräder het skateboard = das Skateboard de skateboards = die Skateboards hardlopen = laufen zwemmen = schwimmen paardrijden = reiten zeilen = segeln turnen = turnen skiën = Ski fahren tafeltennissen = Tischtennis spielen dansen = tanzen het sportbroekje = die Sporthose de sportbroekjes = die Sporthosen de sportschoenen = die Sportschuhe de tennisbal = der Tennisball de tennisballen = die Tennisbälle de zeilboot = das Segelboot de zeilboten = die Segelschiffe de ski's = die Skier de racefiets = das Rennrad de racefietsen = die Rennräder de motor = der Motor de motoren = die Motoren glijden = rutschen remmen = bremsen sturen = lenken het ongeluk = der Unfall de ongelukken = die Unfälle de motorfiets = das Motorrad de motorfietsen = die Motorräder de skater = der Skater de skaters = die Skater